Selecteer een pagina

Deze vrijdag hebben we een bijzonder afsluiting gehad van onze week. Door vriendinnen van Anja zijn we meegenomen naar Gjakove. Een stad op ongeveer anderhalf uur rijden van Pristina. Na een heerlijke lunch en een wandeling door de oude stad van Gjakove werden we door één van de Kosovaarse meiden meegenomen naar een hele bijzondere plek. We werden meegenomen naar een massagraf waar op 27 april 1999 vele Kosovaarse mannen door de Serven zijn neergeschoten. De plek zelf was niet zo indrukwekkend. Het was een weilandje met bestrating waar het onkruid door heen groeit. De graven krijgen op dit moment een waardige update, wat er voor zorgde dat het geheel meer op een bouwput leek dan op een gedenkplaat.

    Wat het bijzonder maakte waren de Kosovaarse meiden die erbij waren. Het verhaal is zo recent dat het oorlogsverhaal niet meer dan een generatie teruggaat zoals bij ons het geval. Waar wij het oorlogsverhaal herdenken heeft het vaak betrekking tot de generatie van onze (over) grootouders. Hier niet. Het verhaal is hier van de mensen met mijn leeftijd, zij waren kinderen en tieners in de tijd van de oorlog, zij hebben moeten vluchten voor de militairen en hun vaders zijn degene die veelal zijn omgekomen en omgebracht.

    Een van de meiden deelde haar verhaal. Ze waren op de vlucht naar Albanië toen ze bij een checkpoint kwamen. De mannen en jongens van strijdbare leeftijd werden uit de vluchtelingenstroom gehaald en bleven daar terwijl de families de voettocht naar Albanië vervolgden. Wat de families toen niet wisten is dat ze hun vaders en broers niet meer zouden zien. Ze zijn daar op de 27e van april 1999 omgebracht. Ook de vaders van twee van de Kosovaarse meiden die met ons mee waren. Ze vertelde dat ze pas in 2004 erachter kwamen waar hun vader was. Vijf jaar lang was er hoop, vijf jaar lang was er onzekerheid. Nu word ik niet snel emotioneel, maar doordat je de verhalen uit eerste hand hoorde, kon ik niets anders dan geraakt zijn. Letterlijk konden we het verdriet in de ogen kijken.

    We waren stil en geraakt toen we wegreden. De volgende stop was een restaurant waar we even moesten bijkomen. Even stil, maar daarna delen wat er nu door je heen ging.


    Die verwerking was maar goed ook. We werden daarna meegenomen naar een Kosovaars gezin waar we gingen avond eten. Volle tafels met lekker traditioneel eten, bijzonder culturele gewoontes (de gastvrouwen aten niet mee) en na de maaltijd samen (aanbiddings)liederen zingen en ook nog dansen. Niemand ontkwam aan het dansen,  zelfs alle meubels werden aan de kant geschoven. Het contrast kon bijna niet groter. Het ene moment stonden we onze tranen weg te pinken bij het oorlogsmonument en even later stonden we te rijdansen op Kosovaarse volksmuziek.

    Onze Kosovaarse gastvrouw was blij met ons bezoek, ze was vereerd dat ze buitenlandse mede christenen mocht ontvangen en liet ook de mogelijkheid niet onbenut om een poging te ondernemen, onze LEF jongens te koppelen aan een aantal jong Kosovaarse meiden. Er moest gedanst worden, Lefjongen met een lokale meid, op nog net geen schuifel muziek. Helaas was het nog niet afgelopen voor de jongens, tot vermaak van alle aanwezigen werden ze door de vrouw des huizes voor het blok gezet. Ze moesten ten overstaan van iedereen aanwijzen welk meisje hun interesse had.

    Gelukkig bleef het daarbij. Kort daarna gingen we, en de jongens mochten we gelukkig mee terug nemen. Het was de laatste dag van het programma en net als de rest van de de dagen was het er een vol indrukken.

    Wat een tijd was het! Hoe gaaf om dit zo met deze toffe tieners te doen. Voor herhaling vatbaar? Dat zeker. De vraag is dan alleen; waarheen? En wanneer?